Samenspraak over het Heilig Avondmaal
De eerste uitvlucht. THEOFILUS Ik ben verwonderd, Urbanus, mijn goede vriend, dat u zo trouw ter kerke komt  en u toch evenwel niet begeeft tot het gebruik van het Heilig Avondmaal. URBANUS Meent u, o Theofilus, dat daaraan zoveel gelegen is of wij het Avondmaal gebruiken of niet, als wij maar God zoeken te dienen met een goede consciëntie? God is een Geest en daarom wil Hij inzonderheid gediend zijn in geest en in waarheid   (Joh. 4: 24). THEOFILUS Ach! Urbanus, ik ben bedroefd over de ongezouten woorden, die u uitwerpt, die ik van u geenszins verwacht had. Maar bedenk eens bij uzelf, lieve vriend, kunnen wij ook God wel dienen met een goede consciëntie, als wij zijn gebod en ordinantie versmaden? Of is daar weinig aan gelegen? URBANUS Neen, dat wil ik niet zeggen, want ik weet wel zoveel, dat wij Gode moeten gehoorzaam zijn; maar ik meen, dat de liefde is de band der volmaaktheid (Kol. 3:14). En als wij God liefhebben bovenal en onze naaste als onszelf, hangen daaraan de ganse wet en de profeten            (Matth.  22:37-40). THEOFILUS De woorden, die u uit de Schriftuur bijbrengt, zijn goed. Maar het besluit deugt niet, dat u daaruit trekken wilt, zoals ook meer anderen met u, die daarmede hun consciëntie zoeken in slaap te wiegen. Maar, ik bid u, overleg eens in goede consciëntie, wat ellendige misgreep u begaat. Want die God liefheeft, moet immers zijn geboden houden en derhalve ook  de Heilige Sacramenten gebruiken, die door Hem zijn ingesteld (Joh. 14:15, 1 Joh. 3:24). Gelijk de Heere Christus zei tot Johannes de Doper (sprekende van de Heilige Doop): Het betaamt ons, dat wij alle gerechtigheid volbrengen (Matth. 3: 15). URBANUS Ja, ik heb het tot nog toe verstaan, dat het Avondmaal een middelmatige zaak is, die men doen of laten mag. Want de Schriftuur zegt (Gal. 6:15), dat voor God niet geldt besnijdenis, noch voorhuid, maar het nieuwe schepsel.   THEOFILUS Mij verdriet, Urbanus, dat u de Heilige Schriftuur zo jammerlijk misbruikt, vlak tegen haar oogmerk in. Want de apostel wil daar niet zeggen, dat het gebruik der Sacramenten een middelmatige zaak is. Maar hij handelt tegen degenen, die de besnijdenis nog willen drijven, en daarop beroemen, nadat die door de dood in de opstanding van Christus vervuld was. Want na die tijd was die eigenlijk geen Sacrament meer, hoewel nochtans dat oude teken voor een zekere tijd mocht onderhouden worden, en dat alleen om de zwakke Joden wat tegemoet te komen, die de wet der ceremoniën zo snel niet konden vergeten (Hand.16:3). De plaats dient dan geheel niet tot uw bedoeling. Maar, lieve, zeg mij eens, is de Doop ook een middelmatige zaak? URBANUS Nee, zeker niet, want een ieder moet bekennen, dat de Doop is het veldteken van het Christendom, gelijk Christus zegt: “Gaat henen, leert alle volkeren, hen dopende in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes” (Matth. 28:19). Daar dunkt mij, dat het met de Doop in dit stuk anders gelegen is dan met het Avondmaal. THEOFILUS Ik weet wel, Urbanus, dat veel mensen dat gevoelen hebben. Maar het is niet verwonderlijk, dat degenen, die hun eigen vernuft meer geloven dan de Schriftuur de ene misslag na de andere begaan. Want zeg mij toch eens, om wat reden u het Heilig Avondmaal minder acht, of zo noodzakelijk niet vindt als de Doop? Want als wij letten op de Insteller, zij zijn beide ingesteld door Jezus Christus, de Zone Gods, die wij allen tezamen moeten gehoorzaam zijn, op straffe van de vloek in Deut. 18:19. Als wij letten op de belofte, die is niet minder bij het Heilig Avondmaal als bij de Heilige Doop. Want zoals de Doop is een teken van onze inlijving in de Christelijke Kerk, daarbij een zegel en pand van de vergeving der zonden door het bloed van Christus en van de wedergeboorte door de Heilige Geest, zo is ook het Heilig Avondmaal een pand en zegel van het geestelijk voedsel en de versterking van onze zielen  in de zalige gemeenschap van Jezus Christus ten eeuwigen leven (Hand. 22:10, 16; Tit.3:5). Want het brood, dat wij breken, is de gemeenschap des lichaams van Christus en de drinkbeker der dankzegging is de gemeenschap zijns bloeds, zonder welke gemeenschap wij niet kunnen zalig worden (1 Kor.10:16; Joh. 6:53-56). Als wij letten op het bevel, wij hebben van het Heilig Avondmaal zowel een uitgedrukt gebod van Jezus Christus als van de Heilige Doop (Matth.26:26,27). Want Christus zegt: Doet dat tot mijn gedachtenis (Luk.22:19). Onthoud dan dit als een vaste regel, Urbanus, dat al wat Christus ons gebiedt, noodzakelijk moet gedaan worden. En zoals eertijds degenen die besneden waren, schuldig waren de ganse wet te houden (Gal.5:3), zo ook nu degenen, die gedoopt zijn, zijn schuldig te onderhouden al wat Christus geboden heeft (Matth.28:19), derhalve ook het Heilig Avondmaal, dat Hij tot zijne gedachtenis en als zijn Testament heeft ingesteld, wel te verstaan die volwassen zijn en zichzelf beproeven kunnen.   Wilt u het hele boek lezen dan kunt u terecht bij: Boekhandel ‘De Kanselier’ Burg. Van Veenstraat 7   4306 BZ Nieuwerkerk 0111-641121 www.dekanselier.nl info@dekanselier.nl
Terug naar Udemans