Bedevaarten
Een bedevaart of pelgrimage (van het Oud-frans pelrimage) is een (pelgrims)reis naar een bedevaartsoord. Redenen voor het ondernemen van een bedevaart zijn om de hulp van een heilige in te roepen zodat deze voorbede (Lees verder) kon doen bij God, of om boete te doen, een opgelegde straf te ondergaan. In de katholieke traditie betreft een bedevaart een reis naar een plaats waar een heilige wordt vereerd, of waar er volgens ooggetuigenverslagen verschijningen hadden plaatsgevonden, meestal van Maria, een engel of een heilige. Andere plaatsen werden bekend vanwege een of meer gevallen van wonderbaarlijke genezingen, of vanwege stigmata, een 'huilend' beeldje, of andere verschijnselen die mensen bovennatuurlijk voorkwamen.
Pelgrims
Overgezet in Nederduitsen dichte door I.B. Hier zijn ook bijgevoegd korte verklaringen tot opening des zins van enige plaatsen getrokken uit de bredere verklaring van Godefridus Udemans. Koll.3:16. Het Woord Christi wone rijkelijk in u met alle wijsheid: Leert en vermaant elkander en zingt den Heere in uw herten met psalmen en lofzangen en geestelijke liedekens. Anno Domini 1616. Het eerste lied van hfdst.I: 1-8 op de wijze van Ps. 107 of, Gelijk den koekoek schandig.      Al mijnes ziels verlangen Is dat ik wezen mocht Met zijne zoete wangen En kuskens aangerocht: Want zoeter is u min Dan zelfs de wijn bevonden Zodat mijn hert en zin Daaraan is heel verbonden.    Opdat de reuk 1) geprezen 1) De zaligmakende gaven en verdiensten van Christus Van dijne zalve 1) zoet Geroken zoude wezen Van ons in overvloed/ Zo ziet men hier en daar Uw naam zich wijd verbreiden/ Gelijk de olie klaar Heur pleget uit te spreiden.    Dies hebben wel terdege De 2) maagden u gezind 2) De oprechte Christenen Ja lief en weerd gekregen/ En trouwelijk bemind. Naar u wilt trekken mij O alderliefste goedig/ En dan zo zullen wij U t’zaam nalopen spoedig.    Nadat mij zal den  3) Koning 3) Christus Eens hebben ingebracht Tot zijne schone 4) woning/ 4) het rijk der genade en het rijk der glorie Naar ’t welk mijn ziele wacht: Zo zullen wij verheugd Zijn/ en uw liefde loven/ Wiens liefelijke deugd De wijnen gaat te boven.    En allen die u minnen Uit ’s herten reine grond Die zullen ’t zelfd’ beginnen/ En open doen de mond: En zo met ons te saam Uw goedigheden prijzen/ En dijnen grote naam Eer ende dank bewijzen.   Gij dochters 5) die de vlekken 5) De zwakke lidmaten der kerk Jeruzalems bezit/ Al 6) heb ik zwarte plekken / 6) De schoonheid der gemeente is inwendig Nochtans zo ben ik wit: Al sta ik zwart ten toon Gelijk de Kedaryten/ Nochtans zo ben ik schoon/ Als Salomons tapijten.    Al ben ik zwart bestreken En slaat dat gade niet: Al heeft mij wat gesteken Der  7) zonnestralen spriet:  7) de zonne der vervolging Wij hebben op het veld Mijns 9) moeders boze 8)zonen 8) valse broeders. 9) der kerk Uit toornigheid gesteld/ En daar belast te wonen:    Zij hebben mij gedrongen Dat ik bewaren zou De  10) wijngaard en gedwongen    10) de trouweloze opzieners der kerk, misbruiken de titel der kerk,   Te dragen d’ hitte stou:                       staande de bokken meer voor dan de schapen Christi Doch heb der wijnengaard                         de schapen Christi Dewelk mij was bevolen Niet trouwelijk bewaard/ Maar hebbe lopen dolen.    Zegt mij doch waar gij weidet/ O lief, mijns herten lust/ En waar gij 11) ’s middags leidet 11) in de hitte der vervolging, ketterij of ergernis Uw 12) kudden tot de rust: 12) de gemeente Wat zou ik ongeacht Mijn hutte nederstellen Al bij het vreemd geslacht Dan dijne 13) metgezellen? 13) valse leraars Het tweede lied Hfdst.I : 8- hfdst.II-1. Op de wijze van Christenbroeders verkoren.
Het Hooglied van Salomon
Christus
  O, schoonste aller wijven/ Dewijl u onbekend Is/ waar gij ’t vee zult drijven En spannen uwe tent: U maakt dan op en trekket uit/ U maakt dan op en trekket uit/ En volget daar de stappen Naar der kudde liefste bruid.    En wilt gij geitkens leiden Al op een ander land/ Daar ander’  1) herders weiden/ 1) de H. patriarchen, profeten en apostelen En daar uw hutte spant. Gij zijt o allerliefste maagd De  2) paarden gelijk die Farao rijk  2) de gemeente is het heerleger des Heeren Voor zijnen wagen jaagt.    O liefelijke 3) wangen 3) de Christelijke vriendelijkheid En dijnen hals is net O liefste lief met 4) spangen 4) de vruchten der wedergeboorte En 4) ketenen bezet: Dij maken willen wij nog veel/ Dij maken willen wij nog veel: Uw spangen zult gij zien verguld/ En zilver-pukkels eel.
De Kerk
Terwijle zich onthouwet De 6) Koning in de zaal 6) terwijl Christus in de hemel is. Mijn 7) nardus haar ontvouwet/ 7) de kracht des Heiligen Geestes En rieket t’ enenmaal; Zodat van haar vloeit zulk een vreugd Zodat van haar vloeit zulk een vreugd Van reuke zoet/ dat mijn gemoed Werd liefelijk verheugd.    Mijn vriend is vergeleken Bij 8) ’t mirre hoopken fris/ 8) het bitter lijden van Christus Hetwelke vastgesteken Aan mijne borsten is. Hij is gelijk een lelie van Hij is gelijk een lelie van Des cyprusplant die’m op het land En-gaddi vinden kan.
Christus
   Ik moet het me belijden/ O lief van mij gevrijd/ Dat gij tot alle tijden Ook fraai en schone zijt/ Fraai zijdie/ ziet/ en schone gans: Fraai zijdie/ ziet/ en schone gans: Uw 9) ogen zijn/ o liefste mijn/ 9) de ogen des verstands Gelijk der duiven glans.
De Kerk
En gij zijt vriend bevonden Schoon lustig ende koen/ Ons bedde 10) ’t aller stonde 10) de dienst des Goddelijken Woords is vruchtbaar Is liefelijk en groen/ Ons 11) balken zijn van cederhout 11) de leer der apostelen en profeten Ons balken zijn van cederhout/ Ons 12) wandelperk is vast en sterk/ 12) de weg naar de hemel Als van cypres gebouwd. Het derde lied van Hfdst.II: 1 – 10 (midden). Op de wijze van O, Heere, gij staat altijd in mijne zinne.
Christus
De roze van Saron 1)   1) vanwege het lijden van Christus Mag ik mij vrij noemen/ En 2) lelie /   2) de glorie van Christus die langs de lage dalen spruit. Als onder de doorns staan De leliebloemen/ Zo staat onder al de maagden mijne bruid.
De Kerk
Als onder de wilde 3) bomen d’appelaren/ 3) Christus is deboom des levens. Is mijnen beminde in der jonkmansschaar. Ik wil in zijn koele schaduw mij vergaren: Zijn vrucht op mijn tong is zoete t’ enegaar. Hij bringt mij ter 4) maaltijd om de wijn te drinken/ 4) de gemeente Zijn vaandel dat is de 5) liefde tegen mij. 5) de geest der aanneming Met 6) d’appelen wilt mij sterken en beschinken 6) de verdiensten van Christus Met 7) flessen/ dewijl ik ziek van liefde zij. 7) de Schriftuur Zijn linkerhand laat hij onder ’t hoofd mij dalen, Zijn rechterhand die omhelzet met een, Gij dochteren der Jeruzalemse palen/ Bij d’ hinden bezweer ik u/ en bij de gheen: Onz’ liefde en wilt niet werken noch 8) verstoren 8) men mag de rust van de gemeente niet verstoren En laat ze totdat het haar behaagt met vreen. De stemme van mijnen Beminde laat haar horen: Ziet hem, hij is 9) daar en komet aangetreen. 9) hij overwint alle beletselen    Hij huppelet langs en over alle streken Der bergen en maakt  langs d’ heuvels zijnen spronk. Mijn vriend die is bij een reekalf vergeleken/ En 10) veerdig  gelijk een hertehindejonk. 10) om ons te beschermen    Ziet achter de wand (hoe zoud’ ik dan bezwijken) Daar vind ik hem/ziet/ zeer minnelijken staan/ Ten vensteren uit en door de traliën 11) kijken: 11) zijn voorzienigheid en alwetendheid Mijn liefste die roept en spreekt aldus mij aan. Het vierde lied van Hfdst II: 10 midden –Hfdst. III:1 op de wijze. Een eeuwige vreugd die niet vergaat.
De Kerk verhaalt de woorden van Christus
   Wilt op/ o lief/ o schone/ staan en komet hier getogen. De 1) winter / ziet/ is hem gegaan/ 1) het kruis en de vervolging de regen weggevlogen/ Ja, weggestreken ras: Men ziet 2) het bloemgewas 2) de voorspoed der gemeente Op ’t veld uit komen spelen: nu komet aan ’t  gezank/ men hoort des tortels klank Alhier te lande  kwelen.    De 3) vijgeboom nu lustig wordt 3) de bekering der mensen Gelaan met jonge vijgen: De 4) wijnstok  is wel aangegord 4) de wederoprichting der kerk Men ziet hem ogen krijgen: De liefelijke vreugd Van zijnen reuk verheugd De mensen altegader: O liefste ongelaakt/ Van stonde aan doch maakt U op en komet nader.    O duive, die in d’  5) holen nauw 5) de wonden Christi Der rotse zonder  zorgen En op het steile 6) trapgebouw 6) de ladder Jakobs is Christus Voor schade licht verborgen. O allerliefste richt Naar mij toch uw gezicht Uw stemme laat mij horen: Want liefelijk u staat ’t Gezicht en dijne praet Mij zoete klinkt in d’ oren.    O vrienden komt toch allegaar/ En wilt naar mijn verlangen/ Der 7) vossen looz’ en boze schaar/ 7) de bedekte vijanden van de kerk Ja ook de minste vangen/ Die anders niet en doen Dan mijnen wijnberg groen Afeten ende schaden/ Dewijle dat hij schoon En jeugdig staat ten toon Met ogen wel geladen.
De Kerk komt weder tot haar voorgaande reden
   Mijn vriend die heeft op mij geleid/ En ik op hem de zinnen/ Die bij de leliebloemen weidt: Totdat eens zal beginnen De 8) dag te komen aan/ 8) de jongste dag En weg de 9) schaduwen gaan/ 9) uiterlijke ceremoniën Die ons zo lange tergen. Kom Vriend: gelijk toch werd Een ree of jonge hert Op d’ afgescheiden bergen. Het vijfde lied van Hfdst.III:1 – 6 op de wijze van Wanneer ik slaap, vind ik mijns levens vreugd.
De Kerk spreekt verder
    Ik was des nachts te 1) bedde neergespreid/ 1)’t vleselijk gemak En zocht mijn lief op wie ik had geleid Mijns herten lust en zin Met vaste min hem heb ik gekocht Toen ik om hem docht Hem heb ik gezocht met schromen Maar t’ enegare niet vernomen.    Toen zeid’ ik op van ’t bedde wilt u staan En door de 2) stad langs 3)  straten zoeken gaan 2) de gemeente 3) bij de gemene lidmaten Hem die mijn ziel bemint En heeft gezind: Naar Hem ik vernam Waar ik henen kwam/ Terdege. Doch nergens heb ik hem gekregen.    Toen vonden mij  de 4) welke in de nacht 4) de getrouwe opzieners der kerk Rondomme gaan de stad en houden wacht/ Aldaar ik ging op straat In zulken staat: Hebt gij niet gezien (Vraagd’ ik deze lien) Hebt gij niet gezien Degenen Op Wie mijn hert en zinnen lenen?    Nadat ik was een weinig af van haar Geweken/ vond ik mijnen liefste daar: Ik greep Hem ende liet Hem varen niet/ Totdat ik Hem trak Tot mijns moeders 5) dak/   5) de hemel Totdat ik hem trak Met beden Om hare kamer in te treden.    Gij dochters van ’t  Jeruzalemse rijk/ Bij d’ hinden u bezweer ik al gelijk/ En bij de wilde reeën/ Laat ons alleen: Noch ’t  ontwaken doet Onze liefde zoet/ Noch ’t  ontwaken doet Ons rusten Totdat het haar eerst zelve luste.
Wilt u het gehele werk lezen, dan kunt u terecht in de bibliotheek van de VU in Amsterdam. Het gedicht is samen ingebonden met de  KORTE EN DUIDELIJKE VERKLARING VAN HET HOOGLIED VAN SALOMO van Godefridus Udemans.
Terug naar Jacob Beeckman