DE LATE MIDDELEEUWEN
De Hoge Middeleeuwen (vanaf 11e t/m de 13e eeuw)
Wanneer de eerste dijken aangelegd zijn, is niet met zekerheid te zeggen. De aanleiding was de noodzaak het land te beveiligen tegen hoge watervloeden. Kennelijk was het woord zeespiegelrijzing er nog niet, maar werd de zaak zelf wel aan den lijve ervaren. Ook vrat de Oosterschelde steeds meer land weg aan de zuidkust. Hermanus Politianus verhaalt dat “in het jaer Ons Heeren 838 de landen van Walkeren, Schouwen en Borselen de grootste van Zeeland waeren en de meeste bewoond; maer zy zyn sedert merkelyk verminderd en afgeknaegt van de zee”. Een erg vroege vermelding van dijkaanleg vinden we bij Cornelius Battus, geneesheer te Terveren. Hij zegt in de kosmografie, door hem vertaald, dat: “ in het jaer Ons Heeren 758 de Denen en Gotthen eenige eylanden in Zeeland bedykten”. Door de aanleg van de dijken kwam er veel meer bouwland beschikbaar, wat een grote verbetering was voor de boeren. Voor de handel was de aanleg van de dijken minder gunstig: dorpen die eerst een open verbinding hadden met de zeegaten, werden afgesloten van het open water. Het gevolg was dat een netwerk van kanalen, vaarten en tochten aangelegd werd om toch vervoer in de polders mogelijk te maken. Ook ontwikkelden zich kleine dorpen bij sluizen langs de kust.
Op bovenstaande kaart van omstreeks het jaar 1000 van Mr. A.J.F. Fokker, burgemeester van Zierikzee, zien we een eerste dijk, waar nu de Kuijerdamseweg loopt.
Volgens de kaart die links is afgebeeld, waren rondom 1300 Schouwen, Duiveland en Dreischor bedijkt. De bevolking nam sterk toe.
In de 11e eeuw was Zeeland weliswaar een graafschap, maar slechts in naam. Mogelijk te onbelangrijk om in leen uit te geven. Toch blikken zowel Vlaanderen als Holland met begerige ogen naar dit graafschap.
Dirk V (1054-1091) van ‘Friesland’ verkrijgt dan na allerlei verwikkelingen ‘Vlaanderen’ ten oosten van de Schelde en de eilanden ten westen van de Schelde (o.a. Walcheren), als apanage.
Foto rechts: Dirk V
Floris II (1091-2 maart 1122) bijgenaamd de Vette of de Dikke, was de eerste Friese graaf die zich naar het Graafschap Holland noemde: "Florentius comes de Hollant". Floris heeft tijdens zijn bewind diverse houten kerken vervangen door kerken van tufsteen, zoals in Haamstede, waar in de basementen van de muren aan de zuidzijde, lijsten van deze uit Duitsland afkomstige steensoort, onderdeel van een vroegere kerk, te zien zijn, en in het nabijgelegen koor van de kerk van Ouddorp.
Foto boven: Hervormde Kerk in Haamstede Foto rechts Hervormde Kerk in Ouddorp
Bij Floris III (1141-1190) ging de heerschappij over Zeeland weer naar Vlaanderen. Het bestuur van Willem I is van groot belang geweest voor de ontwikkeling van Holland. Onder zijn bewind begon de syste- matische aanleg van dijken (o.a. rond de Grote Waard) en werd het Spaarne afgedamd. Dit ging gepaard met een mate van organisatie die als voorloper van de Waterschappen kan worden beschouwd. Willem II is belangrijk geweest voor Zierikzee. Door hem werden in 1248 de stadsrechten bevestigd en uitgebreid. Kennelijk behoorde Schouwen weer onder de graven van Holland.
Graaf Floris V (1256-1296), "der keerlen God",  graaf van Holland en Zeeland en vanaf 1291 liet hij zich 'heer van Friesland' noemen, Floris had bovendien buitenechtelijke kinderen. Voor Haamstede zeer belang- rijk: Witte van Haamstede. Met Jan van Avesnes (1299-1304), als Jan II van Holland, raken Holland en Zeeland verbonden aan het Henegouwse huis. Jan was graaf van Henegouwen. Dit was de grondslag voor een personele unie tussen het graafschap Holland en het graafschap Henegouwen, die tot na de Beierse tijd zou duren. Tijdens zijn regering viel in 1303 een Vlaams leger Zeeland binnen en in maart 1304 versloegen de Vlamingen onder Gwijde van Namen Jans zoon Willem op Duiveland. Holland en Zeeland zelf vielen grotendeels in zijn handen. Diezelfde zomer keerden de kansen. Op 11 augustus werd Gwijde van Namen definitief verslagen in de Slag bij Zierikzee (ook wel Slag op de Gouwe). door een Hollands-Franse vloot onder leiding van Reinier Grimaldi. Toen Jan overleed was zijn gezag in Holland en Zeeland vrijwel geheel hersteld. Willem hield een intocht in Zierikzee. Willem werd als Willem III de nieuwe graaf van Holland, Zeeland en Henegouwen.
Een broer van Willem III was Jan van Beaumont ook bekend als Jan van Blois en Jan van Henegouwen (Ca.1288-11 maart 1356) , heer van Noordwijk, Beaumont (gekocht door zijn vader), Gouda en Schoonhoven. In 1316 werd hij heer van Tholen. Ook Goes kwam in zijn bezit nadat het ontnomen was aan de familie van Borssele. Hij polderde het verloren gegane Klein Dreischor weer in, dat naar hem werd genoemd: ’s Heer Jansland, later verbasterd tot Sirjansland. Jan verving zijn vaak afwezige broer in het bestuur van Holland. In 1326 leidde hij een expeditie naar Engeland, waardoor koning Eduard II verdreven werd en vervangen door koning Eduard III. In 1340 was hij gedurende een korte tijd regent van Holland en Zeeland voor zijn neef graaf Willem IV. In 1345 leidde hij samen met graaf Willem IV een expeditie naar Friesland. Graaf Willem IV sneuvelde bij Warns en Jan van Beaumont kon ternauwernood aan de Friezen ontkomen.
Foto links: Jan van Beaumont
Jan vertrok naar Geertruidenberg, vanwaar hij aanspraken maakte op de successie in de drie graafschappen. De opvolging zou uiteindelijk verlopen via de zuster van graaf Willem IV en Jan van Beaumont verliet Holland. Hij stelde zich in dienst van Frankrijk en was in 1346 aanwezig bij de slag bij Crécy. Hier sneuvelde zijn schoonzoon, Lodewijk van Blois. Zijn kleinzoon Jan van Châtillon werd daardoor de erfgenaam van de uitgebreide bezittingen in Holland en Zeeland, o.a. het latere baljuwschap land van Blois. In 1425 dijkte hij een polder bij Zonnemaire in, die hij naar zichzelf noemde: Bloois. In 1815 ging Bloois op in gemeente Bommenede. Op de Rietdijk in Zonnemaire is nog steeds een grenspaal van de polder Bloois te zien.
Terug naar de Middeleeuwen
Slag op de Gouwe
Beleg van Zierikzee
Gedenkteken bij Warns (Friesland)
Foto rechts: Floris II
Aan het eind van de Hoge Middeleeuwen (eind 13e eeuw) waren er drie standen te onderscheiden: 1. de adel. Zij waren leenheren van de Keizer, maar gedroegen zich veelal als eigenaar. Ook de ambachtsheren die weer leenmannen waren van de adel kunnen onder de adel gerekend worden. 2. de geestelijkheid. Het Christendom had zich in de loop der eeuwen stevig genesteld in de harten van de bevolking. Leiding hadden de dorpspastoors, die weer aangestuurd werden vanuit het bisdom. Ook de kloosters speelden een grote rol (inpolderingen, onderwijs). 3. de zgn. derde stand. Hiertoe behoorde 90 % van de bevolking: de boeren, horigen, werklieden, handwerks- lieden. Over hoe het Christelijk geloof hier beleefd werd gaat de volgende video. (Bekijk video).